De kameel, de leeuw, en de technologie

Hoe moet ethiek met technologie omgaan? Dat vraagt Peter-Paul Verbeek zich af in zijn Op de vleugels van Icarus. Ik lees het boek om even aan Nietzsches Zarathustra te ontkomen. Maar daar lijkt Zarathustra niet van gediend te zijn. Om de volledige aandacht op te eisen is hij Verbeeks boek binnengeslopen en spreekt hij mij op pagina 90 vermanend toe. Tijd voor een column.

P1030639.JPG

In zijn boek beschrijft Verbeek Zarathustra’s redevoering over de drie metamorfosen van de geest. Daarin zegt Zarathustra dat de menselijke geest eerst een kameel was. De kameel verheugde zich in de last die hij droeg, en ging door zijn knieën om nog meer te torsen. Vervolgens werd hij een leeuw, die vol wilskracht in opstand kwam tegen zijn last. Maar door ‘nee’ tegen de last te zeggen, was de leeuw nog  niet vrij van de last. Hij moest zich er nog steeds toe verhouden. Om werkelijk vrij te worden, moest de geest een kind worden, die zijn vroegere opstand vergat, n al spelend opnieuw begon met scheppen. Een heilig ja in plaats van een heilig nee. 

Dit verhaal verbeeldt volgens Verbeek de manier waarop ethiek zich tot technologie moet verhouden. Ethiek moet geen volgzame slaaf zijn, maar ook geen opstandeling. Ethiek zou volmondig ‘ja’ tegen technologie moeten zeggen, en haar al scheppend begeleiden. Alleen die houding erkent namelijk dat wij hoe dan ook afhankelijk zijn van technologie, en alleen die houding geeft ons de vrijheid om die afhankelijkheid vorm te geven. Verbeek pleit dus voor een ethiek die begeleidt in plaats van beoordeelt, een ethiek die meespeelt in plaats van aan de zijlijn staat. Een soort überkind.

Walter